Hermetisch denken...

... gaat uit van de ondeelbare samenhang tussen God, Kosmos en Mens. Uitgangspunt is het principe ‘Zo boven, zo beneden’. God drukt zich uit in de wereld of de Kosmos (‘als zijn zoon’), en in de mens (‘als zijn kleinzoon’, zegt Hermes). De Mens weerspiegelt in zich de wereld, die zich als een (micro)kosmos vormt rond een vonk of vlam van zuivere Geest, die goddelijk en onaantastbaar is.

Spreken over Hermes is spreken over bewustzijn, niet het ons bekende bewustzijn dat functioneert via de zintuigelijke waarnemingen waardoor wij op onze omgeving reageren en ermee in contact zijn. Nee, de hermetische teksten maken ons dat meer dan duidelijk: het betreft een verfijnde haast abstracte manier van denken. Abstract in de zin van niet direct betrekking hebbende op ons zelf, onze belevingswereld, maar een juist daar boven uit stijgend Al omvattend soort bewustzijn. 

Om in deze gedachtewereld te kunnen doordringen moeten wij ons zelf plaatsen in het grote verband, of de relatie die wij hebben, met God de Kosmos en de Mens. Wij hebben het grote voordeel van onze tijd waarin zoveel ontdekt is over bijvoorbeeld trilling, vibratie, snelheid, materie, doordringbaarheid, beïnvloeding en communicatie tussen velden. Over de invloed van het hart op de hersenen is steeds meer bekend en een idee van onze eenheid met alle levende wezens is ons niet vreemd. Toch gaat Hermes nog een stap verder, hij dwingt ons op zoek te gaan in ons zelf en daar te ontdekken wat verborgen is: het wezen van de onsterfelijke ziel. Het is vanuit die ziel dat wij kunnen gaan leren hermetisch te denken. 

En dit is denk ik de uitdaging waar wij als mensen nu voor staan.
Het veranderen van de rups in de vlinder. Een transformatie naar een geestelijk wezen. Omdat, zoals Hermes zegt, wij mensen sterfelijke goden zijn en goden onsterfelijke mensen. Giovanni Pico della Mirandola, één van de intelligentste en meest universele geesten uit de Italiaanse renaissance begreep dit, ook toen was er een groot moment voor de mensheid, waarin heel het wereldbeeld veranderde. Van de aarde als middelpunt van de wereld naar een enorme Kosmos, met de zon als middelpunt. Misschien was dat al heel wat en was men niet toe aan mensbeeld wat alle voorstelling te boven ging. Pico probeerde, als Hermes die net ontdekt was, de mensen aan te sporen tot een god te worden want, dit begreep hij, was werkelijk mogelijk.
Hij schreef een rede over de menselijke waardigheid en benadrukte daarin de menselijke vrijheid. Hij is in staat alle levens te leven zegt hij, want: 

‘De Ene heeft ín de mens bij zijn geboorte zaden van alle mogelijkheden en kiemen van elk soort leven gelegd. En die welke ieder
zelf opkweekt, zullen ín hem groeien en hun vruchten voort brengen. En als dat slechts plantaardige kiemen zijn, wordt hij
gelijk een plant; als het alleen de zinnelijke zijn, wordt hij dierlijk. Kweekt hij de kiemen der redelijkheid, dan wordt hij een hemels wezen. En als hij die van de Rede, dat is het inzicht en de wijsheid kweekt, wordt hij een zoon van God. Maar als hij, met geen enkel lot tevreden, zich terugtrekt op het centrum van de eigen wezenseenheid, wordt hij één van geest met de Ene en zal hij in de eenzame ondoorgrondelijkheid des Vaders die boven alles verheven is, allen overtreffen.’

Deze gedachte herkennen we ook in het bekende soefi-gezegde: 

God slaapt in de rots, droomt in de plant, beweegt in het dier,
en ontwaakt in de mens. 

De eenzaamheid van de Ene, of de Schepper kom je wel vaker tegen. Je leest dan dat hij de mensen schiep omdat hij zich alleen in zijn schepping voelde. Dat is niet juist mijns inziens, is het niet het principe van de Ene – de bron waaruit alles voortkomt – dat hij zich uitdrukt, ofwel uitstroomt in een onafgebroken voortdurend Zijn? Wanneer je het woordbeeld de Ene, of God, gebruikt als fundeerder van het Al, en als de grote levendmaker erkent, moeten daarin wel begrepen zijn de twee woorden Licht en Liefde. Licht en Liefde of het Vader-Moeder principe. Het mannelijke en vrouwelijke aanzicht als basis voor iedere schepping. Licht en Liefde, beide eeuwig stromend, want dat zijn de eigenschappen: zij delen zich oneindig. 

Vanuit dat principe gedacht is de Ene in de mens. Uit stromen van Licht en Liefde vonkt Leven voort. Vanuit zo een vonk of kernbeginsel wordt het leven. Ontstaat ontwikkeling, groei, ontsluit zich de bedoeling die als potentieel verborgen ligt in de vonk. Zien we zo de mens dan begrijpen we waarom God in hem ontwaken kan. De vlam van de mens die hem met die bron verbindt vibreert in Licht en Liefde. Licht, of wijsheid, of denkvermogen, en Liefde, of leven, of ziel. 

Zo is de mens is een geestelijk wezen. Tenminste: wij hebben de keuze om een geestelijk wezen te worden. 

De sleutel is hiertoe is de ziel. Hermes onderwijst in veel teksten de mens over de ziel, de onsterfelijke ziel.
Ten eerste zal de mens kennis verkrijgen over zijn ziel, en wanneer de mens dit begrepen heeft en de subtiele sfeer van zijn ziel binnen begint te gaan, of leert kennen, dan gaat Hermes er toe over de ziel te onderwijzen. Haar te doen herinneren wat haar afkomst is; haar wijst hoe zij zich kan bevrijden uit de materiële wereld die haar omringt (want zij is immers verbonden aan een menselijk wezen) en tot haar eigen wezen en verheven toestand zich verheffen kan. Zodat de mens geestelijk wordt en zij, de god in de mens ontwaakt.
Dat is het proces van de rups en de vlinder. Dat is het wonder van de mens of zijn grootsheid. Pico della Mirandola citeert daarom Asclepius van Athene die heeft gezegd dat de mens op grond van dit wisselend aspect, op grond van een natuur, die zichzelf omvormen kan, in de mysteriën door Proteus wordt gesymboliseerd, de zeegod die als de golven van gedaante kon veranderen,
Wat leert Hermes de mens over de ziel? En hoe verkrijgt hij de vleugels waarmee hij zich verheffen kan in geestelijke luchten? Hij, en u en ik, kunnen leren onderscheid te maken tussen wat lichamelijk en onlichamelijk is.
Tussen wat stoffelijk, zichtbaar, en onstoffelijk, en daardoor niet direct waarneembaar of onzichtbaar is. Of zoals dat nu in de spiritualiteit wordt genoemd: wakker te worden. Of je bewustzijn te verplaatsen van het begrensde naar het onbegrensde. Van het sterfelijke naar het onsterfelijke, in een individueel proces waarin de mens en de ziel elkaar ontmoeten en gaan samen vallen. Niet in de gewone zin waar de ziel het menselijk leven onderhoudt, maar omgekeerd, zo dat de ziel haar eigenlijke verheven staat van zijn kan gaan uitdrukken in een mens die hiervoor openstaat. Een staat van onbegrensdheid, vrij, een werkelijk onbegrensd wezen! Een staat van zijn die wij aanduiden met het begrip verlichting. De ziel die in de mens woont, of in het lichaam is, is daarin het leven. Zij is het leven, en het is door de vorm, door het verbonden zijn aan een menselijk lichaam, dat het leven tot uitdrukking kan komen. 

De ziel schenkt haar essentie dus als leven, waardoor beweging en openbaring ontstaan. Zij zelf ontvangt haar leven, haar beweging niet uit de vorm die zij bewoont, dus niet uit het lichaam. In die zin is zij gevangen door of in een mens, wanneer zij zich mee laat trekken in de avonturen van het menselijke bestaan. De verlichte mens, of de naar verlichting strevende mens keert dat om. Hij vraagt zich af hoe de ziel tot een eigen leven komt, waaruit haar leven moet bestaan. Op dat moment gaat de ziel zelf ook ‘leven’ in de zin van energie tot zich trekken van een aan haar verwante kwaliteit waaruit zij dan leeft, dat is bewust worden, dat is: kunnen denken.

Hermes zegt daarover dat de aard van de ziel is haar ware wezen te doordenken. En: alles wat de ziel nodig heeft om tot kennis te geraken, is in de ziel, en niet ergens anders. En de oorzaak, dat het niet wordt waargenomen, komt niet voort uit de ziel, maar bestaat in het lichaam, dat geplaatst is tussen uw waarneming en de ziel.

Met lichaam bedoelt Hermes hier de denkende mens, die ademend, of opnemend, waarnemend, alles binnen zijn bewustzijnssfeer trekt. Die denk-beweging wordt mogelijk gemaakt door de ziel. Want de ziel schenkt de denkstof voor het persoonlijke leven: doordat zij binnendringt in de levensadem.
Een ziel hebben betekent daarom ook deel hebben aan een denkend leven. En hij bedoelt het menselijk denken, dat helemaal uit de zintuigen is, het onderscheiden van de verschijnselen. De ziel zelf, de onsterfelijke ziel, kan ook tot denken worden gebracht, en als zij dit doet tot bewustzijn komen. Dan ontvangt zij ook de beweging, de denk-beweging die het leven is.
Zij gaat dan haar ware wezen doordenken.
Haar ware wezen bestaat uit die vlam van Licht en Liefde, haar ware wezen is God, zoals we al zeiden.

God denken, wat moeten we ons daar bij voorstellen? Met één beeld zou je kunnen zeggen: het is het in de schepping denken. Hoe? Door in de stroom van Liefde en Licht opgenomen te zijn. Licht en Liefde als groot vibrerend bewustzijnsveld waarin ieder levend schepsel ieder verschijnsel waarneembaar of onwaarneembaar hun plaats hebben. In hoofdstuk 1 van ‘De Definities van Hermes voor Asclepius’ maakt Hermes dit duidelijk: 

Definitie 1 

God: een geestelijke wereld.

De Kosmos: een waarneembare God.

De mens: een vergankelijke wereld.

God: een onbeweeglijke wereld.

De hemel: een beweeglijke wereld.

De mens: een rationele wereld.

Er zijn dus drie werelden.
De onbeweeglijke wereld is God, waaruit de eeuwig-bewegende hemelen voortkomen.
De rationele wereld is de mens, want beide grootheden zijn één: God en de mens naar zijn ideële vorm.

Definitie 2

Er zijn derhalve in het geheel drie werelden:
twee grootheden vormen de waarneembare wereld en één de geestelijke. Twee van die werelden zijn zichtbaar: de waarneembare en de mens, de vergankelijke wereld. En de geestelijke wereld is deze God: hij is niet zichtbaar, maar duidelijk waarneembaar in de zichtbare dingen.

Definitie 3

Evenals de ziel de gestalte overeind houdt als zij in het lichaam is, dat zonder ziel onmogelijk een samenhangend geheel kan worden, zo kan al het zichtbare geen samenhang krijgen zonder het onzichtbare.

Definitie 4

De mens nu is een microkosmos vanwege de ziel en de damp, en wel een volmaakte kosmos waarvan de grootte die van de waarneembare God, de Kosmos, niet te boven gaat. 

De damp is het lichaam van de ziel of de zuil van de ziel. Damp kun je definiëren als ijl, beweeglijk, als wolkachtig. In striptekeningen worden wolkjes gebruikt om de gedachten zichtbaar te laten worden. Wij zijn mensen omdat we denken. Damp is iets wonderlijks. Het is het resultaat van de werking tussen water en vuur. Het bevat elementen van beide. Het transformeert. Water verandert door vuur en stijgt op als damp waarna het na opgestegen te zijn weer neerslaat, of terugkomt als water. 

In de Tabula Smaragdina zegt Hermes:

Van de aarde stijgt het op tot de hemel, en daalt het vandaar weer af tot de aarde; en neemt daarbij tot zich de kracht van hetgeen boven is, en die van hetgeen beneden is.

Is het de damp, die opstijgt en neerdaalt, is dat de beweging van de ziel die plaats vindt tijdens het denken? Is het de ziel die zo denkt, de kracht opneemt van hetgeen boven is: uit de geestelijke, onzichtbare wereld. En van hetgeen beneden is, van de mens die deze beweging mogelijk maakt.
En dan komen we tot de basis, de begin woorden die u misschien wel herkent of zelfs heel goed kent, uit het eerste boek
van het Corpus Hermeticum:

Eens, toen ik de wezenlijke dingen overdacht en mijn gemoed zich verhief, sluimerden mijn lichamelijke zinnen volkomen in; zoals bij iemand die, na een overmatige voeding of ten gevolge van grote lichaamsvermoeidheid, door een diepe slaap wordt overvallen. En het kwam mij voor of ik een geweldig wezen zag, van onbepaalde omvang, die mij bij mijn naam noemde en tot mij zeide: 

“Wat wilt je horen en zien, en wat verlang je
in je gemoed te leren en te kennen?”

Pico della Mirandola benoemt deze zelfde toestand als hij beschrijft wanneer een mens een god geworden is of een geestelijke ziel:

‘Zie je iemand die het zuivere schouwen bedrijft, van het lichaam niet wetend, in het diepst van de geest teruggetrokken,
dan is het geen aards en geen hemels wezen maar een verhevener nog, een god met menselijk vlees bekleed.’

Er is een probleem wanneer wij proberen het onzichtbare met fysieke ogen te zien. Of de ziel tastbaar te willen grijpen. Met onze zintuigen kunnen wij de waarneembare dingen ervaren; wat daarachter verborgen gaat of wat de zichtbare dingen in stand houdt: het ontdekken daarvan kan alleen met een bewustzijn wat boven de zintuigen uit stijgt. Hiervoor moeten de zinnen als in een diepe slaap vallen: ‘van het lichaam niet wetend.’ Dus: wanneer het in ons stil is geworden. Wanneer het gewone denken stopt en de ziel als het ware omhoog getrokken wordt, door de ruimte of de plaats die zij krijgt in een mens. De ziel beweegt zich in ons, en omdat iedere beweging energie is ontstaat er meteen een reactie. Een energie van een gelijke, hoge snelheid voegt zich bij haar. Als een vraag en een antwoord. Een beeld ontstaat, een gedachte, Hermes de geest van de ziel of God.

In een van de Definities zegt Hermes: ‘Het gezichtsvermogen van het lichaam is het oog, maar dat van de ziel is de geest. Evenals een lichaam dat geen ogen heeft niets ziet, zo is een ziel die geen geest heeft blind.’

Ja wij kunnen een geestelijk wezen zijn zoals Hermes bedoelde. Daarvoor hebben we alle mogelijkheden en de keuze. Alleen de mens is een vrij levend wezen. Je kunt zelfs een god worden, als je dat wilt, want dat is mogelijk.

Daarom: wil, begrijp, vertrouw en heb lief, en je bent het geworden!

Wendelijn van den Brul

Trefwoorden: